Woorden · betekenissen

Kernwoordenlijst: de veel voorkomende woorden

Bij ADHD en autisme worden vaak bepaalde woorden gebruikt om iets aan te geven. Hier vind je uitleg van veelgebruikte termen, gegroepeerd per onderwerp.

Deze lijst wordt aangevuld naarmate er vragen binnenkomen. Mis je een woord? Laat het ons weten via het contactformulier.

ADHD en autisme

ADHD — Attention Deficit Hyperactivity Disorder. Een ontwikkelingsverschil dat aandacht, impulscontrole en soms beweging beïnvloedt.

ASS / autisme — Autismespectrumstoornis. Een ontwikkelingsverschil dat sociale communicatie, prikkelverwerking en behoefte aan voorspelbaarheid beïnvloedt. "Spectrum" betekent dat het zich bij iedereen anders uit.

Neurodivergent — Een brein dat op een andere manier werkt dan de "meerderheid" (neurotypisch). ADHD en autisme vallen hieronder, net als bijvoorbeeld dyslexie.

Neurotypisch — Een brein dat werkt zoals de meerderheid van mensen; het tegenovergestelde van neurodivergent.

Comorbiditeit — Wanneer twee of meer aandoeningen tegelijk voorkomen, bijvoorbeeld ADHD samen met angstklachten. Lees meer op de pagina Comorbiditeit.

Prikkelverwerking

Overprikkeling — Het punt waarop je brein meer zintuiglijke of emotionele input krijgt dan het kan verwerken, met vermoeidheid, prikkelbaarheid of paniek als gevolg.

Meltdown — Een (vaak zichtbare) uitbarsting van overweldiging — geen woede-uitbarsting, maar een overbelast zenuwstelsel dat "overloopt".

Shutdown — Het tegenovergestelde van een meltdown: naar binnen keren, stil worden, soms tijdelijk niet kunnen praten of reageren, als reactie op overprikkeling.

Stimming — Herhalende bewegingen of geluiden (bijv. wiebelen, friemelen) die helpen om prikkels te reguleren of stress te verwerken.

Dagelijks functioneren

Executieve functies — De "management-vaardigheden" van je brein: plannen, starten, organiseren, tijd inschatten. Bij ADHD werken deze vaak anders.

Hyperfocus — Extreem diepe, moeilijk te doorbreken concentratie op iets dat interesse wekt — kan enorm productief zijn, maar ook tijd en basisbehoeften laten vergeten.

Maskeren — Bewust of onbewust "normaal" gedrag vertonen om op te gaan in de omgeving, vaak ten koste van veel energie. Komt vaker voor bij autisme, maar ook bij ADHD.

Special interest — Een onderwerp waar iemand (vaak bij autisme) intense, diepgaande interesse in heeft en veel plezier uit haalt.

Het traject

Multidisciplinair onderzoek — Diagnostisch onderzoek waarbij meerdere disciplines betrokken zijn, zoals een psycholoog en een psychiater samen.

DSM-5 — Het handboek dat in Nederland wordt gebruikt om psychische diagnoses te classificeren, inclusief ADHD en autisme.

Jobcoach — Iemand die (vaak via het UWV) ondersteunt bij het behouden of vinden van werk, met praktische begeleiding op de werkvloer.

Zorgplicht — De wettelijke plicht van scholen om te onderzoeken en te zorgen voor passende ondersteuning aan leerlingen die dat nodig hebben.

Redelijke aanpassing — Een aanpassing die een werkgever wettelijk moet overwegen als een werknemer daarom vraagt, zolang dit niet onredelijk bezwarend is.

Lotgenotencontact — Contact met anderen die vergelijkbare ervaringen hebben, bijvoorbeeld via een patiëntenvereniging of community — vaak een grote bron van herkenning.